skip to Main Content
Telefoon 076 533 54 35

Het recht om vergeten te worden

Het recht om vergeten te worden

Heb je jezelf wel eens gegoogeld? Wat zijn dan de resultaten die je ziet? Meestal zal dat niet verrassend zijn, maar soms komt het voor dat wanneer je in Google op je eigen naam zoekt, je dingen vindt die je daar niet wilt zien. Een link naar een negatief artikel over jezelf, een oude strafzaak waarin je betrokken was of misschien wel pikante filmpjes die een rancuneuze ex op internet heeft gezet?

In die situaties kan het recht om vergeten te worden je helpen. Dit recht om vergeten te worden is een privacyrecht dat in alle lidstaten van de EU geldt. De wettelijke basis voor dit vergeetrecht is te vinden in de Europese Richtlijn 95/46/EG, de Privacy-richtlijn. Voor Nederland is deze richtlijn uitgewerkt in artikel 36 en 40 van de Wet bescherming persoonsgegevens. Het vergeetrecht geeft in principe iedereen het recht om onjuiste of verouderde privacygevoelige informatie te laten verwijderen van het internet. In mei 2014 heeft het Hof van Justitie van de EU in het Costeja-arrest bepaald dat dit recht ook geldt ten aanzien van zoekresultaten van zoekopdrachten op een persoonsnaam bij een internetzoekmachine, zoals Google.

De Hoge Raad heeft in een uitspraak van afgelopen week (IEPT20170224, HR, Google) dit vergeetrecht bevestigd en ook bevestigd dat het belang op privacy van de betrokkene in beginsel zwaarder weegt dan het belang van de zoekmachine of internetgebruikers. In deze zaak speelde het volgende: In een aflevering van het programma “Misdaadverslaggever” van Peter R. de Vries zijn camerabeelden getoond waarin X met een (vermeend) huurmoordenaar bespreekt hoe deze een concurrent van X het beste kan (laten) liquideren. Later is X tot zes jaar gevangenisstraf veroordeeld voor poging tot uitlokking van huurmoord. X heeft  tegen die veroordeling hoger beroep ingesteld. In dat hoger beroep is nog geen uitspraak gedaan. De veroordeling van X staat daarmee dus nog niet onherroepelijk vast.

X heeft Google verzocht een aantal URL’s niet meer te tonen in haar zoekresultaten omdat mensen die op de naam van X in Google zochten, meteen deze strafzaak te zien kregen. Voor een aantal URL’s is het verzoek van X ingewilligd, maar voor andere URL’s niet. X heeft in kort geding verwijdering van deze URL’s uit de zoekresultaten van Google gevorderd. Die vorderingen werden door de voorzieningenrechter in eerste instantie afgewezen. Ook het Hof Amsterdam wees de vorderingen tot verwijdering af en heeft daartoe onder meer overwogen dat X in eerste aanleg is veroordeeld voor een recent begaan en ernstig misdrijf en dat hem niet het recht toekomt te worden gevrijwaard van zoekresultaten waardoor het publiek dat op de hoogte is van zijn volledige naam hem in verband kan brengen met dit misdrijf. De Hoge Raad oordeelde echter, zoals hiervoor al gezegd, dat het belang op privacy van de betrokkene in beginsel zwaarder weegt dan het belang van de zoekmachine of internetgebruikers en is van mening dat de rechtbank en het Hof het verzoek om verwijdering niet zomaar hadden mogen afwijzen. De zaak wordt nu terug naar het Hof gestuurd om de belangen van X en de belangen van Google beter af te wegen en vervolgens opnieuw te beslissen.

Wat betekent dit nu? In feite kan iedereen die vindt dat er over hem of haar informatie op internet te vinden is die daar niet of niet meer thuis hoort, bij Google (of andere zoekmachines) een verzoek indienen om bepaalde zoekresultaten te verwijderen. Zo’n verzoek hoeft niet altijd te worden toegewezen, omdat er een afweging moet worden gemaakt van het belang van de betrokkene op privacy en dus om vergeten te worden en de belangen van Google of de internetgebruikers bij (het geven van) informatie.

Een verzoek om vergeten te worden heeft alleen zin als het gaat om informatie die op een groot aantal aspecten betrekking heeft op iemands privéleven. Daarbij moet het dan gaan om informatie die, zonder Google, niet of slechts met grote moeite verbonden kan worden aan jouw naam.

In de praktijk zal de belangenafweging vallen of staan met de aard en gevoeligheid van de gegevens en het belang van het publiek om toegang te hebben tot die informatie. Het is daarbij dan de vraag:

  1. Gaat het om gegevens over het privéleven van de betrokkene?
  2. Is de informatie juist?
  3. Hoe oud is de informatie?
  4. Is de informatie nog van belang voor het publiek?
  5. Dient de informatie misschien een algemeen belang?

Het spreekt voor zich dat een verzoek om verwijdering eerder zal worden toegewezen bij zeer privacygevoelige, onjuiste, oude en irrelevante informatie dan bij informatie wel klopt en die mogelijk een algemeen belang (zoals het verstrekken van nieuws) dient, zoals in de zaak die bij de Hoge Raad aan de orde was.

Het recht om vergeten te worden is met andere woorden niet absoluut, maar kan zeker de helpende hand bieden wanneer privéinformatie ten onrechte op het internet terecht is gekomen.

Meer weten?

Neem gerust contact op met mr. Christel van den Reek

 

 

 

Back To Top